|
Homepagina - Uw pensioen - Employee Benefits - Groepsverzekering - Financiering GroepsverzekeringFinanciële benadering: de verschillende wijzen van financiering van een groepsverzekeringTak 21 versus tak 23 Een aanvullend pensioenplan kan voorzien in een gegarandeerd rendement (tak 21) of kan voorzien in een rendement dat gekoppeld is aan het rendement van één of meerdere beleggingsfondsen (tak 23). Deze laatste techniek sluit nauw aan bij de financieringstechniek bij een pensioenfonds. Tot voor kort was het onduidelijk of de tak 23-groepsverzekeringen ook konden genieten van het bijzondere fiscale regime dat op de 2de pijler pensioenplannen van toepassing is. De WAP rangschikt nu expliciet de tak 23-groepsverzekering onder de 2de pijler pensioenplannen en stelt tegelijkertijd dat alle 2de pijler pensioenplannen aan hetzelfde fiscale regime zijn onderworpen. Deze principes bevestigen, eindelijk, de fiscale aftrekbaarheid van de 2de pijlerpensioenplannen die gekoppeld zijn aan een beleggingsfonds. Cafetariaplannen Bij een cafetariaplan wordt voorzien dat werkgever en/of werknemer een bepaalde bijdrage betalen die meestal uitgedrukt is onder de vorm van een percentage van het loon. De aangeslotene "koopt" met deze bijdragen, binnen het kader voorzien in het pensioenreglement, waarborgen die het meest aan zijn behoeften beantwoorden. Daar waar een jong gezinshoofd eerder zal opteren voor een substantiële overlijdensdekking, zal de rijpere alleenstaande meer oog hebben voor de opbouw van een aanvullend pensioen. De WAP officialiseert het bestaan van dergelijke cafetariaplannen en erkent ze expliciet als een mogelijk concept van aanvullend pensioenplan. Onder het mom van de gelijke behandeling tussen mannen en vrouwen, preciseert de wet wel dat in dergelijke systemen geen minimaal verzekerd kapitaal bij overlijden mag opgelegd worden. Verder zijn er ook belangrijke preciseringen op het vlak van de fiscale behandeling.
"Vaste bijdragen" versus "vaste prestaties" versus "cash-balance"
3. De cash-balance financiering Een cash-balance plan is eigenlijk een tussenvorm tussen een "vaste bijdragen" financiering en een "vaste prestaties" financiering. Op het eerste zicht lijkt het een vaste bijdrage formule, maar bij nader inzien merkt men dat het in wezen een "vaste prestaties" regeling is. De aanleiding tot het ontwikkelen van het cash-balance principe bestond erin een methode te vinden die de werkgever toeliet een controle te hebben op het niveau van de bijdrage (cfr. vaste bijdragen), maar toch het beleggingsrisico niet bij de werknemer te leggen. De werknemers zijn misschien meer tevreden met een relatief hoog vast rendement dan met een belegging waarvan het rendement gekoppeld is aan dat van de beursprestaties. De werkgever redeneert eerder op de lange termijn en heeft bijgevolg minder moeite met het dragen van het beleggingsrisico. De pensioenreserves brengen immers op de lange termijn, wanneer ze goed belegd zijn in voornamelijk aandelen, meer op dan de vastrentende obligaties. De oplossing bestaat in de combinatie van beide. De werkgever belooft niet alleen de betaling van de vaste pensioenbijdrage, maar hij garandeert ook een rendement. Dit rendement kan verschillende vormen aannemen. In de meest eenvoudige vorm wordt gerefereerd naar de obligatierendementen. De werkgever zal echter niet noodzakelijk op dezelfde manier beleggen als wat hij in zijn rendementsbelofte heeft toegezegd. Hij zal een actief beleggingsbeleid voeren, met een flink aandeel van de reserves in aandelenfondsen. Op die manier profiteert hij op de lange termijn van de verwachte meeropbrengsten die dergelijke beleggingen genereren dan de traditionele beleggingen in overheidsobligaties. Door het beter te doen dan de beloofde vaste opbrengst, zal de lange termijnkost dalen onder de vaste bijdragevoet die bij de aanvang was vastgelegd. Individuele versus collectieve kapitalisatie Hoewel het niet de bedoeling is om in dit cahier dieper in te gaan op de aspecten betreffende de collectieve kapitalisatie, is het niettemin nuttig om hier in het kort de collectieve kapitalisatie te beschrijven, die sinds het koninklijk besluit van 17 december 1992 voor de verzekeraars toegankelijk is. Bij collectieve kapitalisatie wordt er via de verschillende financieringstechnieken naar gestreefd de lasten van de toekomstige prestaties in evenwicht te brengen met de verworven reserves en de toekomstige inkomsten, en dit voor de groep in zijn geheel; daarbij wordt over het algemeen rekening gehouden met de specifieke dynamiek van de groep (aangroei van de lonen, inflatie, personeelsverloop, financiële opbrengsten...). Hoewel de elementen van de groep voor die berekening in aanmerking moeten worden genomen, zijn er geen individuele contracten en hoewel er technische grondslagen worden gekozen, is er geen tarief dat tot een verbintenis van de verzekeraar aanleiding geeft. Deze laatste is in dit geval alleen gebonden door een middelenverbintenis (de hem toevertrouwde reserves zo goed mogelijk doen renderen) en niet door een resultaatsverbintenis, behalve die om een minimumrendement te garanderen in het geval van tak 21. Bij de individuele-kapitalisatiestelsels
daarentegen gebeurt de financiering individu per individu en zijn er wel
degelijk individuele contracten.
|
De beste service vindt u bij ons!
Vraag een gratis
|
| Sitemap
| Verzekeringsnieuws | Lexicon
| Nuttige links | Cijfers
en indexen | Legal |